|
|
U bent hier: Home Activiteiten Waaierrijden Techniek van het rijden in waaiersGroep 2 (en 1 waarschijnlijk ook) rijdt doorgaans keurig 2 aan 2 met weinig wisselingen, de techniek daarvan is duidelijk en behoeft geen toelichting.
Voor groepen 3 en 4 geldt echter dat er wat (tot heel veel) harder doorgereden wordt.
Als de wind dan schuin van voren staat wordt het noodzakelijk in waaiers te gaan rijden om te voorkomen dat de helft van de groep er af waait. Hieronder een uitleg die ik vond op de website van IJSVU: IJsvereniging Utrecht.
Lees vooral het stuk over de dubbele waaier.
Vooral deze techniek blijkt erg onbekend en om die goed toe te kunnen passen is het noodzakelijk dat iedereen in de groep weet hoe het gaat. Als we allemaal weten hoe dat werkt dan kunnen we met dubbel zo grote groepen op smalle wegen en fietspaden "in de waaier" en zullen er veel minder mensen hoeven af te vallen.
Even wat basics. Uit welke hoek waait de wind? Op een lange rechte weg hoef je dat maar ????n keer te bepalen. Maar wat als het parcours erg bochtig is? De voorste rijder moet bij elke bocht opnieuw bepalen waar zij na de bocht moet rijden om de ploeggenoten zo veel mogelijk windvoordeel te geven. Een nuttige vuistregel is: je stuur met de bocht mee, maar minder scherp dan de bocht in de weg zelf. Stel: de wind komt van rechtsvoor, de voorste rijder rijdt dan uiteraard helemaal rechts van de weg. Er komt een haakse scherpe bocht naar rechts. Wat doet de voorste rijder? Die maakt ook een bocht naar rechts, maar minder scherp: zij laat zich als het ware een beetje de bocht uitzeilen zodat zij na de bocht zo veel mogelijk links op de weg rijdt. Na de haakse bocht komt de wind immers niet meer van rechtsvoor maar van linksvoor. In zeiltermen: je gaat door de wind, de voorste fietser (de boeg) zoekt de wind op.
De enkele waaier Zeker als de groep wat groter is moet je op kop bij zijwind (en dat is meestal het geval) op het uiterste randje van de weg (of weghelft als je te maken hebt met tegenliggers) gaan rijden zodat er voor de achterste van de groep ook nog ruimte is om schuin naast haar voorganger te rijden en zij niet -onbedoeld in dit geval- op het kantje gezet wordt. Als de wind recht van voren komt rij je wat verder uit de kant, de voorste zal, als zij zich laat zakken, ruimte moeten maken door iets opzij te sturen (op de openbare weg uiteraard naar rechts) zodat de volgende in een rechte lijn naar de koppositie fietst. Als de wind van opzij komt zakt de voorste in eerste instantie recht naar achteren, degene die overneemt stuurt geleidelijk naar de wind toe. Als -nieuwe- koprijder zoekt zij de wind op. Bij het verder naar achteren afzakken zorg je ervoor dat je dicht tegen de waaier aankruipt. Daarmee geef je extra windvoordeel aan de overige leden van de groep en zorg je ervoor dat het gat dat je moet overbruggen bij het weer aanpikken in het achterste wiel niet te groot wordt. Dat aanpikken is een kritiek moment: je komt -moe- van kop, zakt met teruglopende snelheid naar achteren en moet op tijd weer gas geven om het achterste wiel te pakken. In een goed op elkaar ingespeelde ploeg is dat geen probleem. Op kop zal op dat moment zeker niet versneld worden. Vaak wordt afgesproken dat de koprijder het tempo zelfs een fractie laat zakken totdat zij van achteren een seintje heeft gekregen. Dit gaat een heel klein beetje ten koste van de snelheid van de ploeg, maar er wordt veel (kostbare) energie gespaard. Een enkele waaier is aan te bevelen als de groep erg heterogeen is. De sterkste doet dan het leeuwendeel van het kopwerk. Niet door harder te rijden, maar door langer op kop te blijven. De zwakste blijft in het laatste wiel (of wordt -in voorlaatste positie- geduwd, ook dat komt in de beste wielerkringen voor). Ook als er veel onrust veroorzakende ruisfactoren zijn, bijvoorbeeld bij de combinatie van een harde tegenwind met een bochtige weg (zodat de groep steeds door de wind moet) met veel ander verkeer en allerlei dubieuze veiligheidsbevorderende obstakels (denk aan de Amsteldijk tussen Uithoorn en Ouderkerk), heeft een enkele waaier mijn voorkeur.
De dubbele waaier Een goed lopende dubbele waaier is een genot voor het oog maar vooral ook voor de benen! Het houdt de zaak levendig: je bent voortdurend bezig met inhalen en ingehaald te worden. Het is een carrousel van alsmaar om elkaar heen draaiende wielrenners. Maar die wielrenners moeten dan wel van ongeveer hetzelfde niveau zijn, want van iedereen wordt ongeveer hetzelfde vereist. De extra kwaliteiten van iemand die sterker is dan de rest kunnen niet optimaal benut worden (zo iemand moet ook gewoon meedraaien in de carrousel en de benen stilhouden zodra hij op kop komt), iemand die zwakker is dan gemiddeld kan niet meedraaien.
Rondjes overslaan Als je merkt dat je moeite krijgt om mee te draaien besluit je in het laatste wiel te blijven hangen. Wil je daar optimaal profijt van hebben dan moet je jezelf goed positioneren zodat er geen (centi)meter teveel ruimte kan ontstaan tussen jouw voorwiel en het achterwiel van de voor jou invoegende collega, die jij tijdig en luid het sein TUSSEN geeft. In een dubbele waaier, waar onophoudelijk posities gewisseld worden, kan je dan wel blijven roepen. En je hebt al zo weinig lucht. Het is dan veel slimmer om ????n keer te roepen dat je niet (meer) meedraait. Door tijdig, dus voordat je je benen totaal verrot getrapt hebt, een paar beurten over te slaan kun je later (als je je zoveelste reservelade energie hebt weten open te trekken) misschien weer wel meedraaien en alsnog waardevol zijn voor de ploeg. |
|
Powered by: Club Webware




| Deelnemers |
| Klassement |
| Klassement 2008 |
| Kilometervretercompetitie Mei 2010 |
| Update kilometerstand april 09 |
| Bike Totaal TK 2005 |
| Bike Totaal TK 2004 |
| Tourklassement 2003 |
| Bike Totaal TK 2007 |
| Bike Totaal Toerklassement 2006 |
| Tourklassement 2002 |