Voorbereiding NK toerfietsen in volle gang

Dagboek van het NK Toerfietsen (deel 3)
Op 27 augustus 2005 staat in de omgeving van Emmen het NK Toerfietsen op het programma. Dit betreft een ploegentijdrit van 100 km. Hierin dient elke ploeg, zonder hulp van tijd of snelheidsmeters, te proberen een vooraf opgegeven streefsnelheid zo dicht mogelijk te benaderen. Een ploeg van 8 WTC-leden zal een gooi doen naar de titel. Vanaf begin augustus is de voorbereiding daarop begonnen.

Rondje water met de maandagavondgroep
Het uur u begint nu echt te naderen. Elke gelegenheid die er is om nog extra met elkaar te trainen wordt nu te baat genomen. Dat betekent dat we de opkomst (goed voor de statistieken Thumbs Up) van de maandagavond maar eens flink hebben opgekrikt.

Gisteren stond het aloude rondje water op het progamma. Sandra was wegcaptain en zij stond bij de start driftig alle namen op haar presentielijst aan te vinken. Zelfs zonder de aanwezigheid van 6 leden van de NK-ploeg was er met 12 personen hier dan ook al een aardige opkomst. Genoeg te vinken dus.

Bij de start splitste de NK-ploeg zich af en in overleg sloot zich een drietal (Ruud, Anita en Rob) daarbij nog aan. Door de afwezigheid van onze beide vrouwelijke teamleden vorige week woensdag hebben we de training opnieuw gebruikt om een ieder het verzet, de cadans en het gevoel bij de streefsnelheid van 28 km/u te laten vinden.

In het algemeen kunnen we als polderbewoners wel als ervaring delen dat  het vrijwel altijd waait in de polder. Ik weet niet of de weergoden ons nu proberen te helpen of te frustreren. Maar het is gewoon opvallend dat, in nagenoeg alle gevallen, het sinds we met de waaiertrainingen zijn begonnen nog amper heeft gewaaid. Dat is jammer, aangezien een lekker windje de moeilijkheidsgraad en de uitdaging van de training verhoogt.

Misschien zal het voor sommige mensen vreemd overkomen, maar het rijden op een gemiddelde snelheid bij een flinke wind is 'voor de wind' moeilijker dan 'tegen de wind'. In de trainingen zoek je namelijk een verzet waarmee je ook bij tegenwind met een redelijk normale cadans je snelheid kunt halen. Vervolgens trap je zowel voor als tegen de wind ditzelfde verzet. Dat betekent dat je bij tegenwind gewoon moet trappen, zonder al te veel te hoeven nadenken. Als je dan, met soms wat aanzetten, je normale cadans rijdt, zit het met de snelheid wel snor. Voor de wind is het echter een ander verhaal. Het kost veel concentratie, zeker bij een lange tocht als het NK (met 100 km) om met een flinke rugwind niet te hard te gaan. Het is dan heel erg belangrijk dat een ieder goed het gevoel van de snelheid in de benen heeft. Misschien dat de weergoden ons dus dan toch gunstig gezind zijn.

Het is ook een beetje het verhaal van gisteravond. De weersomstandigheden waren die van een ultiem zomeravondtochtje. Niet te veel wind en als die er al was dan stond hij zo gunstig dat je maar op kleine stukken echt de tegenwind voelde. De training liep daardoor voortdurend in een wat te hoog tempo. Nu hadden we nog de tellers er op zitten natuurlijk, dus het was eenvoudig om vast te stellen dat het te hard ging. Maar volgens mij hebben we inmiddels ook allemaal wel een beetje het gevoel in de benen wanneer het te hard gaat.

Een aantal (laatste) zaken zijn gisteravond ook duidelijk geworden. We hebben zeker nog een kwartier staan nakletsen bij de rotonde bij de voetbalvelden. We moeten daar maar een hangplek voor (hang)fietsers aanvragen bij de gemeente. Al pratend hebben we gezamenlijk geconcludeerd dat we bij rugwind wel (dat stond al vast) langere overnames moeten doen dan bij tegenwind, maar dat we ze niet te lang moeten maken. We hebben, zo was gisteravond goed te merken, een samenstelling van teamleden dat met het inmiddels gekozen verzet van nature; net iets te hard rijdt, precies goed rijdt of net iets onder de snelheid rijdt. Per saldo heffen deze verschillen elkaar op. Dit komt echter beter tot uiting als de aflossingen niet te lang zijn.

Verder hebben we vastgesteld dat het met het heuvelop rijden al beter gaat. Aandachtspunt dat we met zijn allen hebben vastgesteld is nog dat; teamleden die het tempo strak kunnen houden heuvelop, al trappend, naar voren mogen schuiven. Anderen die net iets langzamer rijden mogen zich in de groep naar achteren laten zakken. Met andere woorden de plek in de formatie is heuvelop even niet heilig. Pas als iemand achter aan de groep komt te bungelen en halverwege de klim de rol dreigt te gaan lossen moet er als groep, aan de hand van een signaal van betreffende, worden ingehouden. Na de heuvel kan een ieder zijn vooraf afgesproken plek weer innemen.

Tijdens zo'n voorbereiding ben je natuurlijk heel erg met je gemiddelde bezig en dan gaan dingen je opvallen. Het is namelijk verbazingwekkend hoe snel een gemiddelde soms inzakt. Je bent kilometers aan het trappen met een snelheid die net iets te hoog ligt en ziet daarbij, tot je leedwezen, het gemiddelde honderste voor honderste opkruipen. Vervolgens passeer je een kruising of iets dergelijks waarin je niet eens stopt maar waar wel even moet worden ingehouden en het gemiddelde klapt met 3 tienden naar beneden.

Afijn, het rustige weer en de lange aflossingen leidde ertoe dat we op de terugweg aan het aquaduct begonnen met een gemiddelde van 28,5 km/u. Dit obstakel, gevoegd bij tegen- en zijwind op het resterende stuk zorgde ervoor dat het gemiddelde aan het einde alsnog uitkwam op 28,24 km/u.
Lijkt me goed genoeg voor een doordeweekse maandag.

Ronald


Ogenblik a.u.b. ...